Regelmatig blijkt dat zorgvuldig met data moet worden omgegaan. Zo moest minister Slob melden dat cijfers die het ministerie van Binnenlandse Zaken publiceerde over werknemers in het onderwijs met een salaris hoger € 9.000 per maand onjuist waren. Het zijn er geen 5.500, maar ruim 220.

Iets soortgelijks speelde zich af rondom Kamervragen over personeel dat werkzaam is in het onderwijs, maar niet in loondienst is (PNIL). Het CBS suggereerde een verdriedubbeling van het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’er) werkzaam in het onderwijs van 26.000 in 2003 naar 60.000 in 2019. Deze cijfers bleken te gaan over alle sectoren waarin wordt lesgegeven, bijvoorbeeld ook autorijscholen. Bij nadere analyse blijken er in het po circa 6 duizend docenten zzp’er en in het vo zo’n 8 duizend. Van alle zzp’ers in het onderwijs ongeveer is een derde onderwijsgevend en twee derde niet. Die laatste categorie omvat (waarschijnlijk) verschillende ondersteunende werkzaamheden in het onderwijs die als zzp’er uitgevoerd worden, zoals bijvoorbeeld bedrijfs- of administratiespecialisten, maatschappelijk werkers en IT’ers.

Ook in de Financiële Staat van het Onderwijs 2018 is in december 2019 informatie gepubliceerd over personeel niet in loondienst.