Het huidige model voor bekostiging van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs vo (swv) voor het financieren van praktijkonderwijs (pro) en leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) is gebaseerd op het aandeel pro- en lwoo leerlingen in het betreffende swv op 1 oktober 2012. Deze verdeelsystematiek ziet het ministerie van OCW niet als toekomstbestending. Het budget zal dus volgens een andere systematiek moeten worden verdeeld. OCW heeft de afgelopen jaren twee alternatieven overwogen, waarvan inmiddels is gebleken dat zij zwaarwegende nadelen kennen. In het onderzoek ‘Richting een alternatief verdeelmodel voor lwoo en pro’ heeft het OCW aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gevraagd een derde variant te toetsen aan de hand van achtergrondanalyses. Deze variant kent verschillende verdeelsleutels voor beide onderwijsvormen.

Praktijkonderwijs
Uit onderzoek blijkt dat de behoefte aan praktijkonderwijs landelijk niet-evenredig is verdeeld. Daarom wordt in deze variant gekeken naar een verdeelsystematiek op basis van het aantal leerlingen met een toetsadvies pro/vmbo-b(l) of met een ontheffing voor de eindtoets, omdat het ‘zeer moeilijk lerende kinderen’ betreft. Het onderzoek heeft gekeken naar de samenstelling van leerlingen op het pro om te bepalen of deze benadering werkbaar is. Hieruit is het volgende gebleken:

  • Meer dan de helft van de leerlingen in leerjaar 3 en 4 op het pro zijn afkomstig van het speciaal basisonderwijs (sbo). Een eindtoets is in het sbo pas verplicht geworden in schooljaar 2019-2020. Dus van deze leerlingen is nu geen informatie over hun toetsadvies bekend. De criteria kunnen dus niet worden vastgesteld.
  • De ontheffingsgrond ‘zeer moeilijk lerend’ lijkt een indicatie te geven van de behoefte aan pro, maar komt niet exclusief voor bij pro. Dit zou tot overschatting van het aantal pro-leerlingen kunnen leiden.
  • Er zijn leerlingen in het vo die niet in de onderwijsregistratie voorkomen van het po. Voor deze leerlingen kunnen de criteria niet vastgesteld worden. Het aandeel van deze leerlingen op het pro varieert per swv, maar is in het merendeel van de swv-en relatief laag.
  • Er wordt geconcludeerd dat er samenhang is tussen de pro-criteria en het aantal leerlingen binnen de doelgroep pro. Maar het baseren van de verdeelsleutel op enkel deze criteria is onvoldoende.

Naast de overwegingen voor een pro-doelgroep zal er ook gekeken moeten worden naar het woon- of schoolplaatsbeginsel. Worden leerlingen gefinancierd aan de hand van hun woonplaats of de plaats waar hun school staat? 12% van de pro-leerlingen gaat buiten de eigen woonplaats naar school. Dit komt dus regelmatig voor en zal impact hebben op het verdelen van de budgetten.

Leerwegondersteunend onderwijs

OCW voert lwoo-beleid voor twee doelgroepen: op basis van IQ en leerachterstand en op basis van sociaal-emotionele problematiek. Voor de laatste doelgroep is vastgesteld dat deze evenredig verdeeld is over de swv-en. Voor het ontwerp van een verdeelsleutel voor de eerste doelgroep is gekeken naar een eerder ontwikkelde po-indicator voor onderwijsachterstanden. Deze lwoo-indicator zou vijf van de zes omgevingskenmerken uit de po-indicator gebruiken, namelijk:

  • opleidingsniveau van moeder,
  • opleidingsniveau van vader,
  • herkomst van de ouders,
  • verblijfsduur van de moeder in Nederland,
  • zitten ouders in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

Daarnaast zou de lwoo-indicator herijkt worden. Dit houdt in dat de indicator gespecificeerd is naar leerlingen die aan het einde van de basisschool een vmbo-toetsadvies hebben gekregen, i.p.v. de gehele vo populatie.

Er wordt geconcludeerd dat de lwoo-indicator in vergelijking met de po-indicator minder goed verklaart. Op individueel niveau geeft de lwoo-indicator tamelijk onbetrouwbare voorspellingen. Echter voor de verwachte totale behoefte aan lwoo per swv (geaggregeerd niveau) is de lwoo-indicator wel meer betrouwbaar.

Conclusie

De bevindingen van het onderzoek laten zien dat er voor de pro-criteria samenhang te vinden is. Maar dat er op basis van de huidige data geen volledig beeld is te krijgen van de pro-doelgroep. Hierdoor bestaat de kans dat deze groep over- en/of onderschat zal worden. Voor het lwoo laat het onderzoek zien dat er zeker mogelijkheden zijn voor een lwoo-indicator. Echter om een juiste samenstelling te vinden is aanvullend onderzoek nodig.