Minister Slob heeft het wetsvoorstel vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs ingediend bij de Tweede Kamer. De Raad van State heeft laten weten geen inhoudelijke opmerkingen te hebben bij het wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel raakt de bekostiging van de scholen in het (speciaal)basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en de samenwerkingsverbanden passend onderwijs po en vo en voorziet in een wijziging van de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet primair onderwijs BES (WPO BES), de Wet op de expertisecentra (WEC), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en enkele andere wetten. De wijzigingen van de WVO hebben uitsluitend betrekking op het voortgezet speciaal onderwijs en de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Dit is aanvullend op de vereenvoudiging van de bekostiging van het voortgezet onderwijs als geheel, waar beide Kamers inmiddels mee akkoord zijn gegaan. Na de vereenvoudiging van de bekostiging van het primair onderwijs is dus de hele bekostiging van het funderend onderwijs vereenvoudigd.

Hoofdpunten uit het voorstel zijn:

  1. De basisbekostiging gaat voor alle basisscholen bestaan uit één bedrag per school en één bedrag per leerling. Daarnaast is er een bedrag Prestatiebox per leerling en kán de bekostiging ook bestaan uit een kleinescholentoeslag en een bedrag voor onderwijsachterstanden.

Voor de sbo-scholen en so-scholen wordt hetzelfde bedrag per leerling gehanteerd als voor basisscholen. Voor vso-scholen wordt voor het bedrag per vso-leerling zoveel mogelijk aangesloten bij het bedrag per vo-leerling. Voor het bedrag per school wordt onderscheid gemaakt tussen sbo-, so- en vso-scholen. Als onderdeel van deze vereenvoudiging van de basisbekostiging worden de bekostiging voor personeelskosten, de bekostiging voor MI en het P&A-budget samengevoegd. De parameters GGL en formatieve onderbouwing verdwijnen uit de basisbekostiging, inclusief het verschil tussen onderbouw en bovenbouw.

  • De gehele bekostiging wordt voor het kalenderjaar toegekend in plaats van dat de personele bekostiging voor het schooljaar wordt toegekend en de materiële bekostiging voor het kalenderjaar. In verband daarmee wordt de teldatum voor het leerlingenaantal waarvoor wordt bekostigd verschoven van 1 oktober t-1 naar 1 februari t-1. Ook wordt de groeibepaling voor het sbo en (v)so afgeschaft. Dit is de verplichting voor een SWV om middelen te geven aan sbo en (v)so-scholen voor de toename in het aantal leerlingen op 1 februari ten opzichte van 1 oktober. De groeiregeling voor het bo blijft, maar zal worden aangepast vanwege de teldatumverschuiving.
  • Het samenvoegen van de bekostiging voor personeel en MI en het schrappen van de parameters GGL en formatieve onderbouwing wordt ook doorgevoerd voor de aanvullende bekostiging, de bijzondere bekostiging en de ondersteuningsbekostiging. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de terminologie van de vereenvoudiging van de bekostiging in de WVO en als gevolg daarvan wordt de huidige aanvullende bekostiging voortaan extra bekostiging genoemd en de huidige bijzondere bekostiging voortaan aanvullende bekostiging. Ondersteuningsbekostiging houdt dezelfde naam maar de bekostigingsstromen voor lichte ondersteuning en zware ondersteuning worden nu expliciet benoemd in de wet.
  • Er worden twee aanvullende vereenvoudigingsmaatregelen voor de ondersteuningsbekostiging doorgevoerd. Ten eerste wordt de ondersteuningsbekostiging voor scholen voor sbo door DUO (vanuit het budget van het SWV toegekend op basis van het feitelijke aantal ingeschreven leerlingen in plaats van op basis van 2% van alle basisschoolleerlingen in het SWV). Ten tweede wordt de systematiek van meebetalen aan overschrijdingen van de ondersteuningsbekostiging van het SWV consistent gemaakt. Scholen betalen voortaan alleen mee als zij zelf met doorverwijzingen de overschrijding konden beïnvloeden.

De beoogde invoeringsdatum is 1 januari 2022, zodat er een wettelijke basis is voor de teldatum 1 februari 2022. De nieuwe bekostigingssystematiek treedt feitelijk vervolgens 1 januari 2023 in werking.

De vereenvoudiging van de bekostiging leidt tot herverdeeleffecten. Veruit de meeste schoolbesturen (circa 82%) hebben naar verwachting te maken met een herverdeeleffect tussen de -3% en +3% van de totale bekostiging die een bestuur ontvangt. Onder deze besturen valt 95% van alle scholen. De overige besturen hebben te maken met een groter (positief of negatief) herverdeeleffect. Het meest negatieve en positieve herverdeeleffect zijn op basis van deze berekening respectievelijk ongeveer -7,8% en +13,0%. Op de website van het ministerie is een rekenblad beschikbaar dat per school en schoolbestuur een indicatie geeft van de overgangseffecten. Om deze effecten op te stellen wordt een overgangsregeling opgesteld. Deze bestaat uit drie elementen:

  1. Een regeling voor de eerste drie jaren na inwerkingtreding, waarbij de bekostiging stapsgewijs naar de nieuwe bekostiging toe groeit.
  2. Een maximeringsregeling, waarbij de toename of afname van de bekostiging maximaal 1% per jaar is.
  3. Aanvullende bekostiging voor besturen als er na 3 jaar een negatief herverdeeleffect is dat lager is dan -3% én het bestuur in financiële problemen komt.

De onderdelen a. en b worden op schoolniveau toegepast. Onderdeel c. wordt op bestuursniveau toegepast.