Minister Slob heeft de Tweede Kamer laten weten dat hij najaar 2021 komt met voorstellen om de problemen rond residentiële plaatsingen op te lossen. De schijft hij in zijn brief ‘Beleidsinventarisatie en herbezinning residentieel onderwijs’.

Gemiddeld zijn er in Nederland ongeveer 4.000 kinderen en jongeren geplaatst in een open instelling voor jeugdhulp. Het onderwijs dat deze leerlingen volgen, vaak op een school verbonden aan de instelling, wordt bekostigd door de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Daarnaast verblijven er gemiddeld zo’n 1.000 kinderen en jongeren in gesloten instellingen voor jeugdhulp en zo’n 550 in justitiële instellingen.  Het onderwijs aan deze 1.550 kinderen en jongeren wordt rechtstreeks door het ministerie bekostigd.

De minister kondigt een integrale herbezinning op het stelsel aan. Deze moet leiden tot een ‘ambitieus, gedragen en concreet stappenplan’. Het besluit te komen tot een integrale herbezinning is onder meer gebaseerd op het rapport ‘Onderwijs bij kleinschalige voorzieningen – best passende zorg en onderwijs voor kwetsbare jongeren’ dat in november 2020 aan de minister werd aangeboden.

In een bijlage bij zijn brief analyseert de minister dat er enerzijds onderwijsspecifieke vraagstukken zijn en anderzijds vraagstukken vanuit algemene ontwikkelingen. De algemene ontwikkelingen hebben onder meer betrekking op de vorming van steeds minder grootschalige en steeds meer kleinschalige voorzieningen. De huidige vorm van residentieel onderwijs past hier niet bij. De onderwijsspecifieke vraagstukken hebben vooral met bekostiging en kosten te maken. Samenwerkingsverbanden hebben geen zicht en geen grip (sturing) op de instroom in de open instellingen, terwijl zij wel de kosten dragen. En als leerlingen uit een gesloten setting terugkeren in het open stelsel komen de kosten onevenredig voor rekening van de regio’s waar de gesloten instellingen gevestigd zijn.